vragen :
1.
geef de verhoudings formules van de volgende zouten:
chroomoxide
ijzer(II)chloride
ijzer(III)fosfaat
amoniumsulfaat
2.
bereken nu de samenstelling als de sulvaat sulviet zou zijn
3.
welke van oplossingen geleid stroom ?
A: chloor in water
B: natriumchloride in water
4.
wanneer geledeiden deze stoffen stroom ?
| opgelost | vast | vloeibaar |
| | | |
zout | | | |
metaal | | | |
niet metaal | | | |
5.
je doet een blok ijzer in chloor water komt er een reactie ? zo ja geef de reactie vergelijking.
(ga ervan uit dat het ijzer (II) is.)
6.
hoeveel mol chloor is er nodig om 3.4 gram ijzer (III) op te laten lossen.
7.
geef het symbool en het ion van de volgende stoffen.
(geef alle mogelijkheden.
1. tin
2. jood
3.zilver
4.helium
5.lood
8.
er zijn enkele metaaloxide die met water reageren.
schrijf hiervan de reactie vergelijking op.
natriumoxide + water ---->
kaliumoxide + water --->